vrijdag 17 september 2010

bruidegom en bruidsvertrek 1

Zei zeiden tot hem: Kom en laat ons heden bidden en vasten. Jezus zeide: Wat is dan de zonde die ik heb gedaan, of waarin ben ik overwonnen? Maar wanneer de bruidegom gaat uit het bruidsvertrek, laat hen dan vasten en bidden.

In het bruidsvertrek bidt men niet. Als men God gevonden heeft, zoekt men niet meer naar Hem en behoeft men Hem niet meer te willen. Men gevoelt zich met Hem verenigd en het leven, waaraan men deel heeft, is vervuld en volkomen. Er is niets meer te wensen in die volkomenheid. Een ieder die het beleeft, is in zijn element gekomen, en alle willen en pogen en dringen en bidden en méér willen is hier opgehouden.
In het bruidsvertrek heerst absolute vervulling en volkomen vrede, onzegbaar in zijn vermogen, niet mededeelbaar in zijn heerlijkheid. Er heerst de vrede en vreugde van de geliefden, die elkander hebben gevonden. De drang naar vereniging is hier voleindigd en het nieuwe leven is als een openbaring uit de eeuwigheid in het bewustzijn doorgebroken. Er is niets meer van enige afgescheidenheid, van enig tekort of gebrek. En met recht zegt Jezus: Wat voor zonde heb ik gedaan, of waarin ben ik overwonnen, dat ik zou moeten bidden of vasten?

Versmacht men soms van dorst aan de bron? Is in de hoogste vreugde het ene en het andere niet verenigd tot een volkomenheid? Is daarin het tekort niet opgeheven? In de zonde der afgescheidenheid te leven, doet immers het verlangen opkomen naar eenheid en verzoening, naar het wonder der wederhereniging. Daarom, als de bruidegom het bruidsvertrek heeft verlaten, laat hen dan vasten en bidden.

Waarom verlaten wij onze oorsprong? Waarom verraden wij haar en stellen wij ons tevreden met iets anders? De bruid is toch het ware zelf, dat wij goddelijk heten door haar niet te overtreffen kwaliteit. Het ik zoekt vereniging met die kwaliteit.
Een mens die op weg is, is als een schatgraver. wég schept hij alles, wat de opkomende schat zou kunnen belemmeren. Hij schept het verdriet weg en de zorgen. De angsten en de bedenkingen en alle bouwsels van zijn eerzucht en begeren. Hij graaft zó diep dat hij de eerste glinsteringen van de schat verneemt in zijn eigen gevoelen als een onvoorstelbare vreugde en verwondering. Onvoorstelbaar is die vreugde, de onnoemlijke blijdschap van het eerste morgenrood, het gloren van het opkomende licht.

Wat zal hij doen als straks in zijn eigen ziel dat licht opkomt en die verlossing? Een geheel nieuw leven breekt zich in hem baan en zet alles in stralende gloed. Hoe kan men het ooit beschrijven? Iedere twijfel lost op. Iedere angstvalligheid en bevangenheid verdwijnt. Er is geen koude meer in het hart en liefde heerst allerwegen. Als men zich voelt vervullen, dan is dat volstrekt, en ogenblikkelijk bevredigend. Er is niets meer waarom men zou bidden, niets dat verstoort, dat misleidt of waar rovers kunnen binnendringen. Het is een geheel angstloze toestand, waarin het zoekende ik geheel in het zelf opgenomen wordt. Er heerst geen enkele vorm van apartheid meer.


Barend van der Meer

De uitgesproken woorden
Een reactie posten