vrijdag 10 september 2010

voorzienigheid

Zij toonden Jezus een goudstuk en zeiden tot hem: De mensen van de keizer vragen belastingen van ons. Hij zeide tot hen: Geef de keizer wat des keizers is, geef Gode wat Gods is en geef mij wat het mijne is.

Jezus komt uit een ander, bovenaards rijk. Het is niet afhankelijk van deze wereld. Deze wereld is vergankelijk, maar nu is Hij tot ons afgedaald uit de kracht, de liefde, de geestelijke macht van die andere, onvergankelijke wereld. Het koninkrijk is op aarde neergedaald. Er zijn gelijkenissen zoals die van de zuurdesem en de schat in de akker en nog vele andere om ons die verzekering te geven en ons hart daarvoor te openen. Maar om hier te kunnen wonen en te leven heeft hij als ieder ander geld nodig. Hij moet het verdienen als timmerman of men moet het hem schenken. In elk geval beschouwt hij het tegelijkertijd als iets, dat nu eenmaal noodzakelijk is.

Men spreekt er telkens over hoe er in onze wereld overvloedig honger wordt geleden. Jezus leert dat zulks helemaal niet hoeft. Wanneer men het geloof heeft als een mosterdzaadje, dan ligt het bij wijze van spreken op straat of brengen de vissen het wel aan. Ik zelf ben ervan overtuigd. Het is dus niet voldoende als we arme mensen geld brengen, want dat is een bodemloze put. Wat zij voor zichzelf nodig hebben is een innerlijk willen, een geloof - als vorm die uit dat willen voortkomt - in de voorzienigheid, een kennisnemen van hun ware afkomst. Als dat is geschied, zijn zij zonen en dochteren Gods geworden en hun zal het aan niets ontbreken. Eigenlijk is dit de zin van de woorden: Geef de keizer wat des keizers is etc....

Geef God wat Gods is.
Daarvoor moet een mens eerst ontdekken dat hij in zijn oorsprong van God is. Als hij dat niet ontdekt of gevoelt of gelooft of ervaart, kan hij onmogelijk God dat geven wat Gods is. De Godheid zit daarom niet verlegen. Het betekent dat er een gestage uitwisseling is tussen God en mens in een innerlijke verbondenheid. Er is geen ontkomen aan. Wil de mens dit kunnen, dan moet hij de levende God in zich gevonden hebben, waardoor hij zich zelf als uit hem geboren, schenken kan in alle eeuwigheid.
Geef mij wat het mijne is. Want 'Ik' ben de brug tussen twee werelden. 'Ik' ben de verbinding van hemel en aarde. 'Ik' heb het bestaan om hier in deze wereld binnen te gaan in een wereld van dood en ontbinding, van gevangenschap en ontaarding, van oorlog en chaos, en niettemin draag 'Ik' in mij het onbezoedelde en volstrekt reine vermogen van het woord Gods, zijn kracht en zijn licht, dat 'Ik' als een vreemde bloem hier op de wereld plant, het in ieder geval kom versterken met mijn liefde, opdat de mensen zullen zien en horen, en deel krijgen aan de verlosser.

Het is een lijden om hier in deze aarde te graven en om er de hemelbloem in te planten, een eigenaardige opdracht, die ieder mens zal voelen die iets te brengen heeft in een wereld, die het geschenk totaal negeert. Niettemin wordt dit lijden bij voortduring teruggebracht tot een zone in het bewustzijn waar de ontmoeting der twee werelden en de verzoening ervan plaats heeft, hoe onmogelijk en wonderbaarlijk het ook schijnt, zodat het ploegen van de akker steeds weer een onuitsprekelijke feestvreugde oplevert, al blijft het ploegen het ploegen en het graven het graven.
En geef mij het mijne zegt Jezus. Hij bedoelt daarmede: Geef mij het aardse om hier op aarde te leven en in dat aardse leven ontvang ik dan wat des Gods is. Zo breng ik het onvergankelijke in het vergankelijke tot uitdrukking, opdat ge het op uw verdere tocht voor altijd zult herkennen. Daarom weet wat het aardse is en wat het hemelse. Het ontmoet elkander in het zinnebeeld van het goud. Doe dus maar weg alle argwaan en alle angst, die het geld de mens vermag in te boezemen.


Barend van der Meer


de uitgesproken woorden
Een reactie posten